Opdrachtgever
Tubelight
Gepubliceerd
12 okt 2017
Originele publicatie
Opdrachtgever
Tubelight
Gepubliceerd
12 okt 2017
Originele publicatie

Discursief geluister #1: Over kunstenaarsinitiatieven

Het discursieve programma viert hoogtij binnen de hedendaagse kunstsector: het aanbod van ‘verdiepende’ evenementen zoals film screenings, boekpresentaties, lezingen en debatten wordt steeds groter. Over de inhoud van deze evenementen, en de daadwerkelijke meerwaarde van de programma’s wordt echter weinig geschreven. Als onderdeel van de serie ‘Discursief geluister’ neemt Miriam van Ommeren de komende drie maanden een aantal (door haar zelf geselecteerde) evenementen onder de loep.


Deel 1: Over kunstenaarsinitiatieven

Het Haagse Quartair bestaat 25 jaar, geen geringe prestatie voor een uit de kraakscene afkomstig kunstenaarsinitiatief, en grijpt dit jubileum aan om een avond te organiseren over kunstenaarsinitiatieven. Ook worden deze avond twee nummers van Kunstlicht gelanceerd, het aan de Vrije Universiteit Amsterdam gelieerde tijdschrift over kunst, visuele cultuur en architectuur dat nóg ouder is dan Quartair (want opgericht in 1980). Het onderwerp van de avond: kunstenaarsinitiatieven sinds de jaren 80.


Er zijn meer belangstellenden dan stoelen in de grote, witte ruimte. Bovendien lijkt iedereen elkaar hier te kennen. De enige andere bezoeker die ik ken appt me dat hij wat later is, dus met de gebruikelijke ongemakkelijkheid van iemand die weliswaar op een missie is maar zich desondanks een vreemde eend in de bijt voelt, neem ik als eerste plaats op een van de lege stoelen, notitieboek op schoot om in ieder geval een houding aan te kunnen nemen.

Ik ga graag naar symposia en lezingen; ‘praatjes’. Ik vind het leuk om andere mensen te horen praten over iets waar ze verstand van hebben, nog leuker als dat een onderwerp is waar ik ook een beetje verstand van heb, of waar ik juist meer over zou willen weten. Maar het bespreken van een eenmalig event dat al plaats heeft gevonden is toch wat anders dan een recensie schrijven over een lopende tentoonstelling. (“Over voetbalwedstrijden hoor je dat argument nooit!” zegt kunstcriticus Joke de Wolf terecht, wanneer ik haar vertel over dit nieuwe plan. En inderdaad! Kunst kan ook een voetbalwedstrijd zijn, houd ik mezelf voor. Ik weet alleen bar weinig van voetbal dus daar moet ik dan nog wat aan doen.)


Quartair werd in 1992 opgericht in een gekraakt fabriekspand, de voormalige Haagsche Broodfabriek, aan de kalme Toussaintkade; sommige van de oorspronkelijke oprichters (en toenmalige krakers) zijn nu nog steeds lid. “Eigenlijk hadden we geen ambitie om een initiatief te beginnen, maar de benedenruimte van bijna 200 vierkante meter nodigde ons uit om tentoonstellingen te organiseren,” aldus mede-oprichter Pietertje van Splunter in Den Haag Centraal. Zo pragmatisch kan het dus gaan, en 25 jaar later is het er nog steeds.

Quartair geeft op de website aan tentoonstellingen, projecten en uitwisselingen met kunstenaars en kunstenaarsinitiatieven uit binnen- en buitenland te initiëren en begeleiden, bij voorkeur in samenwerking met andere (culturele) organisaties. Er wordt geen strikte artistieke lijn of programma gevolgd, waardoor altijd ingespeeld kan worden op actuele ontwikkelingen.


Het programma van de avond bestaat uit drie lezingen/presentaties en een panelgesprek; de voertaal is Engels. Organisator Angela Bartholomew (promovendus aan de VU en redacteur van Kunstlicht) trapt af met een presentatie waarin ze helder uitlegt wat het belang van kunstenaarsinitiatieven als Quartair is: ze bieden tegenwicht aan de (huidige) maatschappelijke obsessie met de economisering van kunst, en zorgen tevens voor “space and time to attempt and to fail”. Ook benoemt Bartholomew een aantal kenmerken van kunstenaarsinitiatieven die tevens van meerwaarde zijn voor de kunst die zij dienen: (relatieve) onafhankelijkheid, zelforganisatie, het uitdagen van het gevestigde denken. Gesneden koek voor de aanwezigen, gok ik, maar daarom is haar verhaal niet minder enthousiasmerend. En hoewel de premisse van de avond is een beeld te schetsen van kunstenaarsinitiatieven sinds de jaren 80, wordt al snel duidelijk dat ‘de autonomie van kunst’ het werkelijke thema is.

Autonomie, en daarmee gepaard gaande: geld. De bezuinigingsslag van het kabinet-Rutte I (2012) hangt als een donderwolk boven de avond. Zowel Bartholomew als de twee andere sprekers, Eva Fotiadi (docent UvA, Gerrit Rietveld academie) en Jack Segbars (beeldend kunstenaar, criticus, bestuurslid Platform BK), gaan uitgebreid in op de cultuurbezuinigingen van Halbe Zijlstra en de naschokken ervan, die vijf jaar later nog voelbaar zijn.

Fotiadi’s niet altijd even goed te volgen verhaal is in feite een voordracht van het artikel ‘From Autonomous to Generally Applicable Art’, dat ze schreef voor één van de twee nummers van Kunstlicht. In deze tekst gaat ze in op Nederlandse overheidsfinanciering van kunst en de ‘onderdrukking’ van de autonomie van kunst die daarmee gepaard gaat. Ik word geprikkeld door Fotiadi’s stelling dat er tijdens de bezuinigingsslag in 2012 (ja, daar gaan we weer) niet alleen op financieel gebied, maar ook in sociaal-maatschappelijk opzicht een dreun werd uitgedeeld aan de kunstensector. Immers: de protesten die gehoord werden kwamen voornamelijk vanuit de sector zelf: de Mars der Beschaving en die -in mijn ogen verschrikkelijk irritante- ‘Schreeuw om Cultuur’-campagne waar geen ontkomen aan was, waren initiatieven die door kunstenaars, muzikanten en instellingen zélf op poten werden gezet om Halbe Zijlstra’s dovemansoren een tegengeluid te bieden. Maar de doorsnee Nederlander, kwam die nou werkelijk in opstand tegen de grootschalige cultuurbezuinigingen? Niet volgens Fotiadi, en deze conclusie doet mij in gedachten afdwalen naar de cultuurbezuinigingen en de schade die ze hebben aangericht, en nog steeds aan het aanrichten zijn. En het smalle draagvlak dat cultuur nog steeds heeft in Nederland. Hier wil ik eigenlijk graag meer over horen.

Maar Fotiadi gaat in haar verhaal verder naar 2014 en het door Bussemaker geïnitieerde, en niet weinig bekritiseerde, The Art of Impact fonds, waarvoor zes landelijke cultuurfondsen een miljoen uit hun eigen budget ter beschikking stelden voor ‘kunstprojecten die impact maken op de samenleving’. Volgens Fotiadi was de totstandkoming en werkwijze van dat fonds een duidelijk voorbeeld van het opofferen van de autonomie van de kunst aan kwantificatie. Het hele proces van makers moest van tevoren al vast staan: wie doet wat, met wie, wat is het resultaat, en – uiteraard zeer belangrijk – wat is de (sociale) impact van dat resultaat? Jack Segbars haakt in zijn verhaal aan op Fotiadi’s voorbeeld van The Art of Impact en stelt zonder omwegen dat de autonomie van de kunsten hier op het spel stond, en nog steeds staat. Als illustratief voorbeeld noemt hij ook de perikelen van kunstcentrum De Appel, volgens hem eveneens een direct gevolg van “a regime of quantification”.

Hoe interessant de presentaties ook zijn, ik wacht zelf eigenlijk nog steeds op het grote verhaal over 30 jaar kunstenaarsinitiatieven. Anekdotes over de grillige jaren 80, toen alles kon en niets mocht; smeuïge verhalen over het laatste decennium waarin ‘autonoom’ niet alleen een adjectief was, maar bovenal een geuzennaam van linkse activistische bewegingen en groeperingen. Dat de autonomie van kunst alleen maar verder onder druk is komen te staan is inmiddels duidelijk, dus ik snak naar een inspirerend verhaal over een tijd, nog niet zo lang geleden, waarin dat misschien nog heel anders was.


Na de pauze (‘na de rust’) zijn er al wat stoelen leeg. Een deel van de bezoekers heeft de flesjes Jupiler mee naar buiten genomen en gaat daar net iets te hoorbaar met elkaar in gesprek. Ook aan de bar wordt nog gemompeld. Op het podium zitten nu de acht gasten die elk een kunstenaarsinitiatief vertegenwoordigen. De oudste gasten zijn in de zestig, gok ik, en de jongste zal halverwege de dertig zijn: een mooie dwarsdoorsnede van dertig jaar kunstenaarsinitiatieven. De kernvragen worden gepresenteerd: Wat kunnen kunstenaarsinitiatieven leren van het verleden? En wat is hun rol nu, in 2017? En dan begint elk van de gasten zich voor te stellen. Het is als een iets te fors uitgevallen orkest waarin de muzikanten van tevoren hebben afgesproken dat iedereen de gelegenheid krijgt tot een korte solo, maar hou het in godsnaam kort jongens, ok? Ok. Nee dus.

Het is een inschattingsfout die ik vaak zie bij panelgesprekken: er zijn teveel gasten, die vanzelfsprekend allemaal aan het woord willen komen, en er is teveel om te bespreken. Hierdoor verzuipt de discussie een beetje en begint het publiek op de stoel te schuiven. En dat is jammer, want met name de verhalen van oude rotten als Menno Grootveld (Rabotnik TV, 1982-1998), doorspekt met Amsterdamse bravoure, Brieke Drost (Hooghuis, 1985-2004 en Code Rood, sinds 2012), en de Groninger Hans Scholten (De Zaak, 1979-1990), illustreren de pioniersjaren van het kunstenaarsinitiatief en de periode direct erna. Je krijgt spontaan zin om zelf te gaan kraken. De jongere gasten als Maziar Affrassiabi van Rib (sinds 2015) en Clara Pallí Monguilod van 1646 (sinds 2004) spreiden vooral een nuchter pragmatisme tentoon: er wordt anno nu niet gekraakt, maar gebruik gemaakt van een broedplaatsenbeleid. Fondsenwerven vormt een wezenlijk onderdeel van het kunstenaarsinitiatief. En ja, het kan elk moment over zijn, en dan pak je je boeltje en ga je ergens anders overnieuw beginnen. Anno nu verwacht niemand de 25 jaar te kunnen volmaken.


De kernvragen worden niet concreet beantwoord, daar is helaas geen tijd meer voor. De avond zal eindigen met een optreden van de Eindhovense kunstenaar/muzikant Dick El Demasiado, maar ik moet een trein halen. Ik weet dat ik iets moois ga missen.

Ik weet nog niet hoe ik mijn aantekeningen moet omzetten in een verhaal dat anderen ook interessant vinden, met name anderen die niet op de avond waren. Ik vraag een vaak over voetbal schrijvende vriend om een goed voorbeeld van een wedstrijdverslag en lees op zijn aanraden over de verloren WK-finale in Johannesburg (2010), waarvoor Willem Vissers in 2011 de Hard Gras-prijs won. Toegegeven: het is best een mooi verhaal maar ik vraag me af of dit echt zoveel beter is dan het gemiddelde voetbalverslag, en heb prompt medelijden met mensen die voetbalverslagen lezen. En schrijven.

Het was een verwachtingsvolle avond. De eerste helft begon sterk maar kakte halverwege toch een beetje in: de presentaties dwaalden voor mijn gevoel te ver af van het hoofdthema. Na de pauze kwamen een paar van de nostalgische verhalen waar ik op hoopte, maar het panelgesprek kwam niet op gang. ‘Er werd te weinig overgespeeld,’ zou Willem Vissers schrijven.


Op naar de volgende luistersessie: Jonas Staal’s Uit de Kunst-lezing, 18 september, Openbare Bibliotheek Amsterdam.


De presentaties en het debat werden opgenomen door online radio Ja Ja Ja Nee Nee Nee en zijn terug te luisteren op SoundCloud.